Fred Bervoets, de witte panter: “De dood is een ramp. Het is een ramp. Je hebt er niks aan.”

Katya Bohdan
Published on Sunday 161225
Fred Bervoets in de galerie De Zwarte Panter
Het is een donkere en koude vrijdagavond wanneer ik naar de galerie De Zwarte Panter in Antwerpen stap. Daar ontmoet ik straks de Belgische schilder Fred Bervoets.

De voorbije week heb ik in boeken over hem zitten bladeren, zijn werk en zijn leven bestudeerd. Zijn werk kende ik al langer, maar de man daarachter blijft mysterieus. Fred Bervoets is geboren tijdens de Tweede Wereldoorlog in Burcht, nu een deelgemeente van Zwijndrecht. Hij is de zoon van een dokwerker. Nu is hij een van de bekendste nog levende Belgische schilders. Zijn neo-expressionistische en intuïtieve stijl heeft de strenge klassieke kunstenaarswereld van de Academie van Schone Kunsten van Antwerpen wakker geschud.

“Ik woonde vroeger in de kasteelstraat en ging twee keer per week naar de zaal Ensor in het museum hier.
Ik kan alle Ensors opnoemen. Wat een schilder!
Oh, paarlemoer, fantastisch! Oh, wat een schilder.”

De Zwarte Panter lijkt anders ’s avonds. Alsof de kunstwerken het licht hebben opgeslokt, een innige atmosfeer hangt in de lucht. Wanneer ik binnen kom, zit Fred Bervoetsop een stoel, glas in de hand. Sterke drank natuurlijk. Adriaan Van Raemdonck, de eigenaar van De Zwarte Panter, en enkele andere mensen zijn er ook. Ik word vriendelijk begroet. Bervoets staat op en troont me mee naar de zaal waar zijn permanente expositie hangt. Daar kunnen we rustig praten.

De zaal hangt vol met zijn imposante werken, schetsen; klein, groot, gigantisch. De witte muren staan in contrast met de levendige kleurontploffingen van zijn schilderijen. ‘Hallucinant’, mompel ik. We staan al een tijdje rond te kijken als ik mijn eerste vraag stel: ‘Welke gebeurtenis betekent voor u het begin van uw carrière?’
‘Oh, ik ben al heel vroeg beginnen schilderen’, zegt Bervoets ‘Al vanaf mijn veertien jaar schilderde ik de natuur. En dan zeiden mensen tegen mijn ouders “u moet uw zoon naar de academie sturen”. In die tijd was de academie zes jaar, maar ik heb het op drie jaar kunnen afmaken. Dan het Hoger Instituut. Een jaar soldaat ertussen.’
Of zijn ouders voorstander waren van zijn kunstcarrière? ‘Nee,’ zegt Bervoets, ‘mijn vader was een dokwerker, we wisten thuis niks over kunst. We hadden een almanak van de mijnwerkers, daar stonden wat schilderijen in, meestal miserabelistische peinture. Maar dat was al iets. Gelukkig had ik een oom in Antwerpen en kon ik naar het museum gaan. Daar zag ik voor de eerste keer die grote Ensor hangen en ik dacht “Christus!”. Toen liet het mij nooit meer los. Toen ik aan de academie begon te studeren, waren de ateliers heel goedkoop. We zaten in die oude zolders. Veel Nederlanders kwamen naar hier, ook veel buitenlanders. Het Hoger Instituut was tamelijk bekend. In de jaren zestig was Antwerpen een mekka van kunst.’

De zelfportretten

"Toen ik jong was heb ik geleerd dat in een goed schilderij een rotte plek moet zitten"

'Na het hoger instituut heb ik de schilder Maurice Wyckaert leren kennen en die heeft mij aanbevolen aan Stéphane Janssen, een rijke Brusselse galeriehouder. Janssen heeft dan tegen mij gezegd: “tout ce que tu fais, alles wat je maakt, is voor mij”. Elke drie maanden kwam er een camion en die haalde mijn werk op. Ik kon altijd blijven schilderen. Ik had geluk.’

Geluk gecombineerd met talent en een tegendraadse visie. Het oeuvre van Bervoets kent geen continuïteit. Het is in constante ontwikkeling, verandering, versnelling. Van kleurrijk naar pikzwart, van vermakelijk naar donker.  Zijn techniek is ook niet te onderschatten. Salpeterzuur op grote zinkplaten die als een tegelstructuur op de vloer liggen. De afzonderlijke drukken worden aan elkaar gesloten en op doek geplakt. De ‘acide-verkeerd’-techniek.

‘Wat betekent Antwerpen voor u?’ vraag ik. ‘Antwerpen is de stad waar ik altijd heb gewerkt. Ik ben nu wat ouder geworden, het feest is er wat af.’ Hij glimlacht. ‘Maar het is een goede stad, een creatieve stad, een feestende stad. Een intellectuele stad. Discussies dag en nacht!’

Hij is gelukkig hier, vertelt de scilder me. Hij wil hier altijd blijven werken. Ondertussen praat hij verder over de schilderijen die in de zaal hangen. ‘Ik ben een man die meestal vertrekt vanuit zijn omgeving en zichzelf. Het zijn meestal zelfportretten en vertellingen van vrienden. Ik was goed bevriend met Julien Schoenaerts en Marcel van Maele. Die vertelden mij verhalen en dan had ik een idee. Maar vaak is het ook mijn verbeelding. Hier is bijvoorbeeld mijn buitenverblijf dat ik niet heb!’ Hij wijst naar het schilderij dat op de uiterste muur hangt. Het is druk, slangachtig, expressionistisch en dromerig. Et staat een kasteel op afgebeeld. Op de voorgrond zie ik Bervoets op een motorfiets.
‘Zie je? Hier ben ik op mijn motorfiets. Maar ik kan niet motorrijden! Het leven is zo’n chaos soms.’

De rotte plek

Zelfportret, 2011Ik haal hem even uit zijn dromen terug naar het gesprek. ‘Voelt u dat u een toonbeeld wordt in de Belgische kunst?’
‘Wel, toen ik vijftig was, werd ik door de Academie van Schone Kunsten gevraagd om les te geven. Dat heb ik vijftien jaar lang gedaan. Ik was toen net hertrouwd en had een jong dochtertje. Een klein pensioentje was wel nodig. Zekerheid is zekerheid. Maar ik had fantastische studenten! Dankzij die jonge mensen blijf ik jong. Ik blijf gedreven.’

De studenten aan wie Bervoets gedurende vijftien jaar les heeft gegeven  exposeerden hun werk eind 2016 in de Academie. Het was dan twintig jaar geleden dat aan de Academie de eerste klas  afstudeerde die een volledig curriculum bij Bervoets volgde. Zijn invloed op een hele generatie studenten kan niet worden onderschat.

‘Toen ik jong was, heb ik geleerd dat in een goed schilderij een rotte plek moet zitten. Maar je mag die rotte plek eigenlijk niet zien. Die rotte plek is van jezelf. Dat is moeilijk uit te leggen. Dat leerde ik mijn studenten ook. Ik ging regelmatig met hen een pint drinken en als ze een beetje gedronken hadden, kwam de waarheid naar boven. Dan wist ik waar ze naartoe wilden. Waar ze van droomden.’

Volgens Bervoets moet een kunstenaar dus vrij zijn in wat hij doet. ‘Ik heb ervoor gezorgd dat de studenten van het eerste jaar nu hun vrij werk moeten tonen. Natuurlijk hebben ze opdrachten, je moet ze leren tekenen, dat is ook belangrijk en daar is de Academie voor gekend. Maar een kunstenaar, ook een student moet de vrijheid hebben om zich uit te drukken. Hij heeft misschien geen talent om een stilleven of een model te schilderen, maar hij heeft wellicht iets anders te zeggen. Het leven is te kort om die vrijheid niet te hebben.’

In 1980 pleegt zijn mentor, vriend en verfbroeder Jan Cox zelfmoord. Dit inspireert Fred Bervoets de reeks "Hommage aan een Vriend". Een aangrijpend geheel van zwart verdriet, angst en krankzinnigheid.

'De dood is een ramp.
Het is een ramp.
Je hebt er niks aan.'

De waterput

Voorzichtig stel ik Bervoets de vraag ‘hoe staat u tegenover de dood?’ Na een korte stilte antwoordt hij: ‘Ik heb er eigenlijk geen tijd voor. De dood is een ramp. Het is een ramp. Je hebt er niks aan.’
Of hij er bang van is? Hij kijkt bedenkelijk. ‘Ja. Omdat ik liefst nog wat zou werken. Ik heb nog wat te vertellen, snap je? Al word ik op het einde misschien helemaal gek. Een van mijn beste vrienden was Hugo Claus. Ik heb nooit geweten dat hij Alzheimer had.In mijn ogen niet. Want we waren zo’n vreemde mannen soms, weet je. Ik zag het op een zeker ogenblik toen we iets moesten signeren. Hugo moest zijn naam signeren en er de datum onder schrijven. “Hugo Claus” ging vlot, dat heeft hij al duizend keer geschreven. Maar toen hij de datum moest schrijven, kon hij niet. Toen wist ik het.’                         

Bervoets loopt stilletjes rond in de zaal. Het glas is ondertussen leeg. ‘Soms schrik ik er zelf van. Soms begrijp ik niet hoe ik eraan begin, nu ik al die schilderijen zie,’ mompelt hij. ‘Kijk, dat kind op de 1 mei-stoet dat rode bloemen kapotschiet. Die bedelaarster, de boom van liefde. Dat ben ik, zo idioot als de pest.’ Zijn lach weergalmt in de zaal. Hij loopt langs de muur en wijst naar de kleinere tekeningen. ‘Kijk, daar is Hitler het aan het doen met Eva Braun. Waarschijnlijk rond een uur of twee in de ochtend getekend.’ Een onvergetelijk tafereel, zoveel is zeker. ‘En dit ga ik u zeggen,’ gaat hij verder. ‘Zie je die waterput? Die staat op veel werken. Kijk. Weet je wat dat is? Ik kom van het platteland. De boerendochters en eenzame mensen daar, als die niet goed waren, sprongen ze in de waterput. Om zelfmoord te plegen. Dat was vrijwel de enige optie.’

De waterput komt inderdaad veel terug. Netjes geschilderd, tegelijk heel zichtbaar en onzichtbaar. Je moet er naar op zoek gaan in het overweldigende en chaotische geheel van zijn werk.

Maar waarom schildert hij steeds die waterput? ‘Omdat het toch een symbool is dat mij altijd heeft getroffen. Julien Schoenaerts zei eens tegen mij: “U zet elk horloge op drie uur.” Ja, dat is makkelijk om te tekenen hé. Weet je wat hij zei? “Fred. Dat is het uur van de Heer. Het uur waarop hij gekruisigd werd.” Sindsdien zet ik de klok altijd op drie uur. Op elk werk.’