Walter Hus: ‘Wanneer ik zelf componeer, heb ik nooit het gevoel dat er concurrentie is.’

Hannah Wellens & Laurence Torck
Published on Saturday 170121
We ontmoeten Walter Hus in muziekacademie Orfeus in Alsemberg. Naast zijn werk als componist, is hij er pianobegeleider bij klasconcerten en audities. We wandelen het oude gebouw binnen, daar zit de muzikant op ons te wachten. ‘Ah voilà, daar zijn mijn journalisten al’, begroet hij ons hartelijk.

U bent al van jongs af aan bezig met muziek. Hoe is deze interesse er gekomen?

Mijn zus ging naar de muziekschool in Mol. Op een dag ging ik haar halen en zag ik de pianolerares staan. Ik was op slag verliefd. Hoewel ik niet de juiste leeftijd had, mocht ik haar les volgen. Ik  heb echt alles gedaan, zo goed mogelijk gestudeerd, om haar liefde te kunnen winnen. Helaas bleef het enkel bij pianolessen, meer is er nooit van gekomen.

Was muziek dan iets dat bij jullie thuis met de paplepel werd meegegeven?

Muziek was bij ons thuis heel populair. Naast mijn nonkel, die schippers-accordeon speelde, en mijn zus die zeer gedreven was in blokfluit, speelde niemand een instrument. Op kerstfeestjes zongen we allemaal samen liedjes, dit was mijn grote plezier! Mijn zus ging op latere leeftijd ook naar het conservatorium, maar ze is helaas op zeer jonge leeftijd overleden.

U had vroeger de bijnaam ‘Wonderkind’. Waar kwam die vandaan?

In Waregem ben ik heel vroeg begonnen met concerten spelen, dus de mensen kenden me daar wel. Ik had daar een beetje een reputatie, maar dat stelde niet veel voor omdat het vooral lokaal was. Toen ik in Brussel kwam en aan het conservatorium begon, belandde ik in het reguliere circuit.

Ik heb een tijdje geen goede leerkrachten piano gehad, maar plots kwam er een nieuwe lerares toen ik in het vijfde humaniora zat. Ze gaf me echt een boost, het was een fantastische pianiste die mij echt motiveerde. Ze introduceerde me later bij haar leraar in Brussel. Het is ook daarom dat ik naar Brussel ben gegaan en daar ben gebleven.

Hebt u de liefde voor muziek doorgegeven aan uw zonen?

Spontaan wel, bij ons thuis is muziek zeer prominent aanwezig. Mijn oudste zoon speelt echt goed piano, maar helaas speelt hij nooit klassieke muziek. De jongste, die zeventien jaar is,  zit op de  kunsthumaniora in Laken. Hij is een artistiek type, een echte muzikant.

U bent oorspronkelijk afkomstig uit Mol. Nadien bent u verhuisd naar Waregem, een totaal andere omgeving. Vanwaar de beslissing om te verhuizen naar een dorp zo ver weg van Mol?

Inderdaad, het is echt iets anders. We zijn verhuisd omdat mijn vader een jobaanbieding kreeg.  Maar ik heb fantastische herinneringen aan de tijd in Mol. Op een dag kwam ‘de Alverman’ uit Johan en de Alverman boeken signeren. Mijn zus en ik gingen er naartoe en we hebben een liedje gespeeld op onze blokfluiten. Hij signeerde ons boek en daarin stond dat hij ons liedje heel mooi vond.

U hebt in Gent en in Brussel gestudeerd. Waarom de combinatie van deze twee opleidingen?

Ik probeer situaties waar gevoelens van concurrentie ontstaan, te vermijden. Ik ben liever baas over mezelf.

Ik woonde in Waregem, dus Gent was het dichtste bij. Ik ben begonnen aan het Koninklijk Conservatorium toen ik nog in het humaniora zat. Ik combineerde dus twee studies. Vanaf het moment dat ik de juiste leeftijd had om aan het conservatorium te beginnen, ben ik naar Brussel gegaan.

Hoe was het om begin jaren tachtig muziek te studeren?

Enkel de beste muzikanten gaan naar het conservatorium. Voor mij was dat ook wel pijnlijk omdat ik plotseling werd geconfronteerd met veel betere muzikanten dan mezelf. Ik kwam van Waregem, waar ik een soort van reputatie had, en dan merkte ik eigenlijk dat ik nergens stond.

Pas toen ik mijn eerste stuk begon te schrijven, voelde ik echt wat mijn ding was. Ook omdat het een gebied is waar ik kan werken zonder concurrentie. In het conservatorium speelde iedereen piano, iedereen speelde dezelfde stukken. De ene speelde het goed, de andere beter. Maar wanneer ik zelf componeer, heb ik nooit het gevoel dat er concurrentie is. Tot op vandaag probeer ik situaties waar gevoelens van concurrentie ontstaan, te vermijden. Ik ben liever baas over mezelf.

Na uw studies bent u in Brussel gebleven. Bent u verliefd geworden op de stad?

Brussel is de stad die ik het liefste heb. Ik hou van de wanorde, de rommel en de slechte organisatie.  Het is er grauw en toch gebeurt er zoveel. Ik heb er ook fantastische jaren doorgebracht, vooral in de jaren tachtig en negentig Ik maakte er kennis met Rosas, de dansgroep van Anne Teresa De Keersmaeker, en met Jan Fabre, de mensen die nu bekend zijn in de kunstwereld. Ik maakte muziek voor hun voorstellingen. Ik heb vandaag nog steeds contact met hen, maar je groeit met de tijd toch uit elkaar.

U had op een bepaald moment de mogelijkheid om aan de Chapelle Royale Reine Elisabeth in Waterloo te studeren, maar u hebt een andere weg gekozen. Hebt u daar soms spijt van?

Goh ja, maar ik heb uiteindelijk zoveel beleefd. Ik vind het wel spijtig, maar als ik dat spijt afweeg met al het plezier dat ik heb gehad, dan betekent dat spijt niet veel. Ik koos voor de Maximalisten in plaats van de studies in Waterloo. Samen met Peter Vermeersch en andere artiesten vormde ik een ensemble, een groepje dat muziek maakte die veel harder was dan de muziek van toen. Het was muziek met een hoek af en met meer rock- ‘n- roll dan de minimal music die uit Amerika kwam. We wilden de minimal music een Europese dimensie geven. Het was echt een fantastische bende.

De muziek die we maakten, werd opgemerkt en zo kwamen we terecht in het modemilieu in Parijs. Comme Les Garçons wilde de muziek van Rosas gebruiken en Yamamoto wilde dat ik een nieuwe compositie maakte. Het was de eerste keer dat er geld werd gegeven voor een van mijn composities. We zijn in première gegaan in de Beursschouwburg, maar daarna hebben we erg veel getoerd in Europa. Het was echt een geweldige tijd met die gasten, altijd plezier en feest, maar langs de andere kant ben ik blij dat ik het niet meer doe.

Na de Maximalisten heb ik me als pianist kunnen profileren, als uitvoerder van mijn eigen werk, en dat was dubbel zo interessant voor mij. Ik heb echt de moeite gedaan om een goede pianist te worden. En dat ben ik ook, wanneer ik op mezelf speel.Ik ben nu aan een nieuw project begonnen waarbij ik solo pianoconcerten zal spelen. Na al wat ik al gedaan heb, heb ik nu zin om dat te doen. Mijn eigen muziek en composities spelen. Tijdens die concerten zal ik composities spelen die ik maakte in de jaren tachtig en negentig. In die tijd was mijn muziek het meest radicaal, niet dat het nu verwaterd is, maar het is ingewikkelder geworden. En ingewikkeld is altijd minder radicaal, maar vooral cerebraler.

In 2000 bent u gaan werken met het Decap-orgel en merken we een verandering in uw muziek. Wat betekende de ontdekking van dit orgel voor u?

Dat heeft me helemaal in een andere wereld doen terechtkomen. De Decap-orgels kan ik helemaal programmeren. Het zijn echte orgels die aangedreven worden door wind, maar de technologie van Decap laat een heel uitgebreide manier van werken toe. Ik kan de luchtdruk heel gedetailleerd controleren. Deze orgels hebben me meer gedreven richting technologie. Maar ook de muziek die ik maakte, veranderde. Het werd meer techno.

Is dit de muziek waar u nog steeds mee bezig bent?

Nu niet zo zeer. Ik wil mijn meer serieuze compositiewerk liefst nu beginnen. Ik wil mijn carrière waardig afronden. Daarom ga ik beginnen af te bouwen. Ik heb nog wel een fantastisch project in de jazz pop,  Hus & The Next Generation. Het is een groep met zeven jongeren waaronder mijn zoon Jacob, die zeventien is. Het is zeer dynamisch. We noemen het ‘powerjazz’,  jazz met een zeer hoge intensiteit. We spelen elke zaal plat. In september stonden we in het Ricts, onlangs nog in de Archiduc. Ons groepje heeft echt succes. In het voorjaar gaan we een cd opnemen. Het is ook tof, hé. Ik, zo’n oude, met die jongeren. Het zijn stuk voor stuk fantastische muzikanten en het zal de tijd duren dat het duurt. Ik ben sowieso al genoeg bezig, maar zolang zij nog goesting hebben, doen we voort

Wanneer is Hus & The Next Generation ontstaan?

In januari vorig jaar zijn we begonnen en repeteren we één keer per week. Tijdens deze repetities breng ik stukken en composities aan. Natuurlijk ook met hun inbreng. In de zomer kregen we een residentie in Theater aan Zee en daar hebben we een week kunnen repeteren in fantastische omstandigheden. Daar zijn we echt gegroeid. Daar hebben we ook onze première gespeeld, wat toch ook al een hele eer is als je nog nooit opgetreden hebt. We spelen niet vaak, maar we gaan door. Binnenkort beginnen we met de opnames en dan zien we wel wat er gebeurt.

Ik heb al veel dingen gedaan. In elke zaal in België heb ik al gespeeld, dus ik heb veel contacten. Voor Theater aan Zee heb ik verschillende jaren zelf producties gebracht, dus als ik iets voorstel, weten de mensen daar wel dat het serieus is. Nu wordt er gebeld. Niet dat de telefoon roodgloeiend staat, want we zijn echt een beginnend groepje. Maar het is fantastisch.

Ik wil proberen
om mijn repertoire
tot een goed einde te brengen

U hebt een zeer gevuld leven gehad en een groot repertoire uitgebouwd.Wat volgt er nog?

Ik kan er soms geen vat op krijgen, wat ik nu nog ben. Ik heb geen enkel van de genres die ik ben begonnen, ooit verlaten. Ik ben nog steeds een klassieke pianist, ik ben nog altijd een improvisator, ik ben nog altijd een klassieke componist en met dat orgel ben ik nog altijd bezig. In de Marollen heb ik ook een fantastisch project gehad; de Marollenopera. Met mensen van de Marollen hebben we onder andere in het Justitiepaleis gespeeld. Om maar te zeggen: al die verschillende dingen, die zitten nog allemaal steeds in mijn hoofd en het wordt alsmaar breder. Het is ook daarom dat ik alleen nog in de groep speel met mijn zoon, de pianosolo’s uitvoer en het componeer. Ik wil proberen om mijn repertoire tot een goed einde te brengen.

Is uw werk nooit tussen u en uw vrouw komen te staan?

In het begin waren we echt fusioneel. Ze beleefde alles van op de eerste rij mee. Maar nu beleeft ze dat meer vanop afstand. Ze komt naar al mijn concerten, maar ik heb een tijd lang heel erg veel gewerkt. Ik werkte toen nog in mijn studio tot twee uur ‘s nachts. Dat heeft zijn gevolgen gehad. Nu bouw ik het een beetje af en probeer ik op normale uren te werken. Mijn studio is altijd gescheiden geweest van mijn woonplaats, maar het probleem was dat ik daar tot zo laat zat te werken, omdat het zo plezierig was.

Was dit voor u nooit een reden om ermee op te houden?

Ik denk dat ik gewoon doodga als ik stop met muziek. Muziek is niet altijd plezant, hé. Ik kan elke dag zelf beslissen wat ik doe, maar dat is niet gemakkelijk, hoor.  Als je de keuze hebt tussen naar de sauna gaan of aan je bureau te werken, is dat soms hard. Ik heb gemerkt dat discipline op mij niet veel vat heeft. Ik vind dat je altijd moet proberen het principe van het plezier na te streven. Voor mij heeft het plezier mij altijd gedreven naar waar ik terechtgekomen ben. Als je jezelf moet verplichten om iets te doen, kun je beter proberen het te omzeilen en ergens anders een plezier te vinden dat maakt dat je er toch iets aan hebt.